Mensen, het is lente. De eerste rokjesdag is reeds weken geleden officieel uitgeroepen en de eerste lazy-bbq-sunday in het Vroesenpark met 374.378 mensen is ook al achter de rug. Tijd om vers leesvoer aan te schaffen en de stadsparken op te zoeken, de terrassen te bevolken en tegen metromuren te leunen om dat verse leesvoer tot je te nemen! En wat is nu goed leesvoer? Mijn boek. Stijlloze zelfpromotie en eigenpijperij is mij niet vreemd, dus Koop! Dat! Boek!

Je hebt geen munten om dat boek te kopen? Dat treft: wij van Bogue zijn gulle gevers, dus geven drie gesigneerde exemplaren voor graties weg! Wil je één van de exemplaren winnen? Stuur dan een mail naar win@bogue.nl o.v.v. Villa Gladiola en laat ons weten waarom jij deze thriller wilt hebben! En natuurlijk krijg je hieronder een heuse copy-paste preview mét een scheutje Rotterdam.

Dinsdag, 6 april 1982, 23:12 uur
De gruwelijke eenzaamheid van mijn bestaan hangt bijna tastbaar als een serene doch angstaanjagende stilte om mij heen. De onrust in mijn lijf is in gevecht met de immer naar rust zoekende ik. Nu, de kortstondigheid van het leven heeft me overvallen, me murw geslagen en beschimpt. De dood is daar. Al waar ik voor stond is passé. De toekomst is gereduceerd tot enkel het heden waarin ik als een zingende dode zal dolen. Mijn geschiedenis zal de boeken niet halen, de erkenning die ik zocht zal ik niet vinden. Mijn vlucht en zucht naar geluk is een heilloze operatie gebleken.

Beneveld zwalk ik door de donkere verlaten straten van Rotterdam, de regen miezert door mijn trui. Mijn ontgoocheling duurt en duurt maar. Tranen vermengen zich met de regen en vormen grote plassen op straat. De angst neemt de overhand, klappertandend strompel ik een steeg in waar ik me laat vallen in een naar pis stinkende hoek. Er slentert een junk door de steeg, mompelend in zichzelf. Net als de junk passeert presteer ik het om een enorme vloedgolf aan wodka en stukjes kip over zijn been te braken.Scheldend en tierend schopt de junk me vol tegen mijn hoofd. Een stekende knal, nog een stomp op mijn neus. Ik voel een warm stroompje uit mijn oor komen. Alles tintelt. Langzaam dwaal ik af. Het geschreeuw van de junk ebt weg, ik voel nog net dat hij aan mijn jas zit.

(…)

“Toen ging ik naar Rotterdam, op stel en sprong. Ik houd van die stad, altijd al gedaan. De mentaliteit, het rauwe. Ik had niets te verliezen, Nijmegen was dood voor mij. Nadat ik door die junk was beroofd ging ik mijn donkerste periode in. Het moment dat ik ook ging spuiten, heroïne. Ik ben tot 1989 in Rotterdam gebleven. Los van mijn donkere periode heb ik mooie tijden gehad. Veel op Katendrecht rondgehangen. Een verschrikkelijke pauperbuurt in die tijd. Veel hoertjes, drugsoverlast en criminaliteit. Maar toch, dat heeft een soort romantiek hè. Er kwamen toen nog schepen aan op Katendrecht, dus er waren veel zeelui. Veel vechtpartijen ook. In ’87 werd Perron 0 geopend door dominee Visser van de Pauluskerk. Junkies konden daar hun methadon halen en vrij gebruiken. Het was een grote, gore klerebende. Toch was ook ik daar regelmatig te vinden. Daar ben ik Anne tegen gekomen. Ik was inmiddels 34, zij was 21. Eén letter verschil maar hè, Anna, Anne…”

Hij valt weer even stil en kijkt Vos aan.
“Schenk nog ’s wat te drinken in Jan, iets sterkers. Er staat whisky in het kastje naast de koelkast.” Vos struint het kastje af en vind een halve fles Paddy Old.
“Ik heb vanavond het gedicht voorgedragen dat ik voor Anna en Anne schreef. Wil je het horen?”

Vos knikt en pakt het verfomfaaide papiertje aan dat Maenhout hem aanreikt. Terwijl Vos het gedicht leest staat Maenhout kreunend op en pakt twee whisky glazen. Hij schenkt de glazen langzaam halfvol en gaat weer zitten.

ik sluit mijn ogen
stel me zo voor
dat je hier weer bent

voor me, in je volledige
naaktheid, volkomen jij
de smaak van jouw geur

op mijn lippen, mijn zintuigen
tot het uiterste gespannen
werkelijkheid dreigt het te worden

mijn beleving is krachtig
inleving waarachtig
een leugen is de realiteit

de mooiste leugen ooit

Vos kijkt op.
“Is Anne ook overleden?”
“Kun je dat uit het gedicht halen?” vraagt Maenhout.
“Volgens mij wel ja,” zegt Vos.
“Je bent een van de weinigen. Ik leg mijn gedichten nooit uit. You love it or you hate it. Je begrijpt het of je begrijpt het niet.

(…)

Vos staart een diep donker gat in. De rillingen lopen over zijn rug. Hij kijkt of er een lichtknopje aan de muur zit, maar hij vindt niks. Hoe dieper de trap voert, hoe donkerder het wordt. Vos kan het einde van de trap niet zien. Er komt een koude lucht naar boven, vermengd met de geuren van klamme, oude muren.
Vos zet voorzichtig een eerste stap. Een steentje knarst onder zijn schoen en Vos kijkt abrupt om.
“Het is niets. Doorlopen nu,” mompelt hij zacht.
Steeds dieper daalt hij af, steeds dieper in de krochten van de oude villa. Langzaam wennen zijn ogen aan het duister. Hij houdt met beide handen de muren vast bij gebrek aan een leuning. Hij schuurt met zijn vingers langs de grove muur, maar hij voelt het niet. Vijf treden voor hij beneden is ziet hij een deur. Ook hier blijft hij eerst even staan om aan de deur te luisteren. Niets. Hij drukt zachtjes de klink naar beneden, waardoor tot zijn verbazing de deur in één keer opengaat. Er stroom wat licht de trapruimte in en Vos knijpt zijn ogen samen. Hij geeft de deur een duwtje en blijft in de deuropening staan. Wat hij dan ziet, overtreft al zijn verwachtingen. Recht tegenover hem ziet hij het ronde podium waar Maenhout het over had. Verderop in de ruimte staan apparaten die Vos nooit in zijn leven heeft gezien. Hij loopt naar het podium toe en kijkt rond. Alle gewelven zijn voorzien van kleine led-lampjes die zacht licht de ruimte inwerpen. Net genoeg om dingen te kunnen onderscheiden, veel te weinig om normaal te kunnen kijken.

Plots klinkt er een enorme knal en Vos schreeuwt van schrik. Hij draait zich om en staat dan met zijn gezicht naar de deur, die door de tocht is dichtgeslagen. Vos hapt naar adem en kijkt dan naar rechts. Toen hij zich omdraaide, zag hij in een verre hoek iets glinsteren. Er vallen door twee roosters in het plafond wat vale strepen licht naar binnen.
Vos moet goed kijken wat de glinstering veroorzaakt. Dan ziet hij het.
Er kijkt iemand naar hem.