Vertwijfeld sta ik voor het oude Nighttown op de West-Kruiskade. Op jacht naar een lunch sta ik letterlijk op een tweesprong. Links lonkt Cong’s Place waar ze de beste sambal van de stad maken. Rechts is daar Kiem Foei, hun broodje tja saw is fenomenaal. Terwijl ik sta te treuzelen komt er een kleine gebochelde Chinees aansjokken. Hij sleept een beetje met zijn linkerbeen. Het meest opvallende echter is zijn onophoudelijke gefluim.
‘Argharghflots,’ weet de Chinees uit te brengen.
En net voor mijn voeten drapeert hij een enorme rochel. Het witte gedrocht siddert wat na en ik weet mijn kokhalzen te bedwingen. Ik besluit om even in het Kruiskadepark te gaan zitten en de laatste stralen herfstzon mee te pakken. Wellicht dat ik daardoor ook mijn eetlust weer terug krijg.

Terwijl de zon noestig op mijn gezicht schijnt, dwalen mijn gedachten af naar een zaterdagochtend, een kleine 18 jaar geleden. Ik was 14 en speelde met een aantal vrienden in de B1 van Germinal. Een van die vrienden was Sami en die woonde 100 meter verderop. Ma Langstraat had mijn ontbijt gemaakt, wat heel Hollands bestond uit een boterham met hagelslag, een banaan en een glas melk. Na het ontbijt ging ik naar Sami om gezamenlijk naar voetbal te gaan.
Zoals het een goede gastvrije Turk betaamt werd ik bij binnenkomst volgepropt met lekkernijen en voedsel waar ik eigenlijk geen trek in had, maar die ik uit beleefdheid toch maar op at. Ik weet nog dat er ook een soort frikadellen werden opgediend. Maar wat mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven is het geronk dat uit de badkamer kwam. Sami’s moeder gorgelde zo’n beetje vanuit haar tenen alle inwendige ellende naar buiten en spoog dit in de wasbak.
‘Dat reinigt je van binnen,’ wist Sami mij te vertellen. Het scheelde een haar of mijn binnenste kwam in de vorm van twee ontbijtjes weer naar buiten.

Er schuift een wolk voor de zon en ik open mijn ogen. Er lopen twee Marokkaanse jongens voorbij en alsof de duvel ermee speelt, loopt er een te rochelen en spuugt zijn keelellende op het grasveld. De geluiden die hij maakte leken enigszins op die van de Chinees, maar de Marokkaan produceerde toch een wat diepere keelklank. De moeder van Sami daarentegen had een subtiele, lichte gorgel.

Mijn eetlust is inmiddels ver te zoeken en ik besluit een rondje te lopen. Via de Gouvernestraat loop ik richting de Nieuwe Binnenweg. Onderweg loopt er een lange jongen met krullen voorbij. Hij doet me denken aan Patrick, gezamenlijke vriend van Sami en mij. Mijn gedachten dwalen af naar de tijd dat ik met Pat op de HES zat. Vrijwel elke ochtend reden we in zijn oude Opel Kadett naar Kralingen om oersaaie lessen bedrijfseconomie te volgen. Hij had daarbij de vervelende gewoonte om zijn blijkbaar in de weg zittende ochtendrochel op te kuchen en er vervolgens op te gaan zitten smakken. Op goede dagen spuugde hij deze door het raam naar buiten. Op slechte dagen slikte hij het gewoon weer in.

Eenmaal op de Binnenweg passeer ik drie Surinamers. Een van de jongens doet een subtiele tfoe: hij tuit zijn lippen en tift een witte fluim op het trottoir. Zonder geluid. Een verademing gezien de ellende die ik de afgelopen 15 minuten in real-life danwel in mijn levendige herinnering voorbij heb zien komen.
Opmerkelijk is het echter wel. De Turk, de Chinees, de Nederlander, de Marokkaan en de Surinamer, ze hebben elk een eigen manier van rochelen en op straat spugen. En let er maar eens op, niet normaal hoeveel er wordt gerocheld op straat.

Inmiddels heb ik een rondje gelopen en sta ik weer voor mijn deur. Ik laat de lunch voor wat ‘ie is en hou het deze middag bij een glaasje water. Het doet toch wat met een mens hè, dat multiculti fluimen.